Plakkerige bladeren bij een kamerplant bestrijden doe je door eerst de oorzaak op te sporen, want bijna altijd zit er een plaag of uitscheidingsproduct achter. De plakkerigheid zelf is namelijk geen ziekte, maar een symptoom. Zodra je weet wat er speelt, kun je gericht handelen en de plant snel weer gezond maken.
Waarom worden bladeren plakkerig?
De meest voorkomende oorzaak is honingdauw. Dat is een kleverige, suikerrijke vloeistof die insecten zoals luizen, wolluis, schildluizen of wittevlieg uitscheiden terwijl ze op je plant leven. Ze prikken in de bladeren of stengels om sap op te zuigen, en scheiden het overtollige suiker weer uit. Die laag plakkerigheid beland dan op de bladeren eronder.
Een tweede mogelijkheid is dat de plant zelf iets uitscheidt. Sommige kamerplanten, zoals bepaalde varens of gumplanten, produceren kleine hoeveelheden kleverige stof via kliertjes op de bladeren. Dit is onschadelijk en geen teken van een plaag. Weet je zeker dat er geen insecten zitten? Dan is dit waarschijnlijk de reden.
Hoe herken je welke plaag plakkerige bladeren veroorzaakt?
Kijk de plant goed na voordat je iets doet. Draai de bladeren om en bekijk de onderkant, want daar zitten de meeste insecten. Dit zijn de meest voorkomende boosdoeners:
- Bladluizen: kleine, zachte insectjes in groen, zwart of bruin, vaak in groepen op jonge scheuten of bladonderkanten.
- Schildluizen: bruine of witte schildvormige bolletjes die vastzitten op stengels en bladnerven. Ze bewegen nauwelijks.
- Wolluis: witte, wollige klontertjes in de bladoksels of langs stengels.
- Wittevlieg: kleine witte vliegjes die opvliegen zodra je de plant aanraakt. Eieren en larven zitten op de bladonderkanten.
Bij twijfel: houd een wit vel papier onder de plant en schud even zachtjes. Als er insecten neervallen, weet je genoeg.
Plakkerige bladeren kamerplant bestrijden: stap voor stap
Zodra je de plaag hebt herkend, pak je het als volgt aan:
- Verplaats de plant. Zet hem apart van andere planten zodat de plaag zich niet verspreidt.
- Verwijder de insecten handmatig. Dep schildluizen en wolluis weg met een watje of ouderwets tandenborsteltje gedrenkt in 70% isopropylalcohol. Bij bladluizen kun je de aangetaste scheuten gewoon afknippen of de luizen wegspuiten met een straal lauw water.
- Reinig de bladeren. Veeg de plakkerige laag (honingdauw) van de bladeren met een vochtige doek. Gebruik lauw water, eventueel met een heel klein beetje afwasmiddel. Zo verwijder je ook de kleverige voedingsbodem waarop roetdauw (een zwarte schimmel) kan groeien.
- Spuit met een insecticide of zeepoplossing. Een oplossing van groene zeep (1 theelepel op een liter water) werkt goed tegen zachte insecten zoals luizen en wittevlieg. Spuit de hele plant in, inclusief de bladonderkanten. Herhaal dit elke vijf tot zeven dagen, minstens drie keer, om ook pas geslopen larven te raken.
- Controleer wekelijks. Blijf de plant de komende weken bekijken. Eén behandeling is zelden genoeg, want eitjes overleven de eerste ronde vaak.
Wanneer is een chemisch middel nodig?
Bij een zware aantasting van schildluis of bij hardnekkige wolluis die niet wijkt na meerdere behandelingen met zeepwater, kun je overstappen op een insecticide op basis van pyrethrine (plantaardig) of imidacloprid (systemisch, via de wortels opgenomen). Een systemisch middel is fijn bij grote planten waarbij je de bladonderkant lastig bereikt. Houd er rekening mee dat systemische middelen niet geschikt zijn voor eetbare planten, en geef ze niet aan bloeiende planten om bijen te beschermen.
Voorkomen dat bladeren opnieuw plakkerig worden
Schone, gezonde planten trekken minder snel plagen aan. Gebruik bij het verpotten altijd verse potgrond, want gebruikte grond kan eieren of larven bevatten. Geef de plant niet te veel water, want wortels die voortdurend nat staan verzwakken de plant en maken hem kwetsbaarder. Mest regelmatig met een uitgebalanceerde plantenvoeding zodat de plant sterk blijft. En veeg af en toe het stof van de bladeren, want een laag stof maakt het lastiger om een plaag vroeg te spotten en belemmert de lichtopname.
Een nieuwe kamerplant zet je bij binnenkomst altijd even apart voordat hij bij de andere planten staat. Zo voorkom je dat een eventuele meelifter meteen de rest besmet. Twee weken quarantaine is een goede vuistregel. Wie dit consequent doet, heeft veel minder kans op de plakkerige bladeren waarmee de meeste kamerplantenliefhebbers vroeg of laat te maken krijgen.