systeem plafond plaatsen

Zelf een systeemplafond plaatsen in vijf stappen

Inhoudsopgave

Een systeemplafond plaatsen doe je door eerst randprofielen aan de muren te bevestigen en daarna een metalen raster aan het bestaande plafond op te hangen. In dat raster leg je losse plafondplaten. Meet de ruimte vooraf goed op en bepaal waar verlichting en leidingen komen, zodat je het raster passend kunt indelen.

Het voordeel van deze constructie is dat je platen later kunt uitnemen om bij de ruimte erboven te komen. Je verliest wel een deel van de hoogte in de kamer.

Wat heb je nodig om een systeemplafond te plaatsen?

Een systeem bestaat uit randprofielen, hoofddragers, dwarsdragers, ophangers en plafondplaten. Veelgebruikte plaatmaten zijn 60 bij 60 en 60 bij 120 centimeter. Kies platen en profielen die bij elkaar passen: niet elke plaatrand past in ieder raster.

Verder heb je het volgende nodig:

  • Een rolmaat, potlood en waterpas of lijnlaser.
  • Een boormachine, schroeven en bevestigingsmateriaal dat past bij de muur en het bestaande plafond.
  • Een blikschaar of geschikt zaaggereedschap om profielen op maat te maken.
  • Een scherp mes, een rechte lat en een stevige ondergrond om geschikte platen op maat te snijden.
  • Een stabiele trap en werkhandschoenen.

De hoogte en het raster uitmeten

Bepaal eerst hoe hoog het nieuwe plafond komt. Laat boven de profielen genoeg ruimte over voor leidingen en armaturen, maar ook om de platen schuin boven het raster te kunnen tillen. Teken de hoogte met een waterpas of laser rondom op de muren af.

Meet vervolgens de lengte en breedte van de kamer. Teken de vakken van het raster uit en bekijk hoe de platen langs de wanden uitkomen. Probeer smalle stroken te vermijden door de indeling te verschuiven. Een ongeveer gelijke strook aan beide kanten geeft vaak een rustiger beeld. Teken ook de plekken van lampen en roosters in.

Het systeemplafond plaatsen stap voor stap

1. Bevestig de randprofielen. Schroef de L-vormige profielen langs de afgetekende lijn aan de muren. Gebruik bevestigingen die geschikt zijn voor de ondergrond. De profielen moeten rondom op dezelfde hoogte zitten.

2. Hang de hoofddragers op. Teken de posities van de ophangpunten af op het bestaande plafond. Bevestig de ophangers aan een draagkrachtige ondergrond en hang de hoofddragers eraan. Stel ze zo af dat ze waterpas liggen en op de juiste hoogte bij de randprofielen aansluiten.

De afstand tussen ophangers en profielen hangt af van het gekozen systeem en de belasting. Volg hiervoor de montagevoorschriften van de fabrikant. Zo voorkom je dat het raster gaat doorzakken.

3. Klik de dwarsdragers vast. Plaats de dwarsdragers tussen de hoofddragers tot vakken in de gekozen plaatmaat ontstaan. Meet na of de vakken haaks zijn en of het raster vlak ligt. Pas de profielen bij de muur zo nodig op maat.

4. Leg de plafondplaten in het raster. Til elke plaat schuin boven een vak en laat hem voorzichtig op de profielen zakken. De plaat moet op alle randen goed liggen, zonder te klemmen. Meet de platen langs de muur per stuk op en snijd ze passend met een rechte lat en een scherp mes, als het plaatmateriaal daarvoor geschikt is.

5. Werk het plafond af. Plaats roosters en armaturen op de geplande plekken. Zware onderdelen hebben mogelijk een eigen ophanging nodig en mogen niet zomaar op de platen rusten. Laat elektrische aansluitingen veilig uitvoeren en schakel de stroom uit voordat je aan bedrading werkt.

De laatste controle na het plaatsen

Bekijk het plafond vanaf verschillende kanten. Liggen de platen vlak en sluiten de randen netjes aan? Een plaat die klemt, kun je voorzichtig iets bijkorten. Controleer ook of je platen bij aansluitingen en leidingen kunt uitnemen voor later onderhoud.

Bewaar een paar passende platen voor het geval er een beschadigt. Zo kun je die later eenvoudig vervangen zonder het hele raster los te halen.